Tussenkomst wetsvoorstel aasgierenfonds

Door Rob Van de Velde op 9 juni 2015, over deze onderwerpen: Banken / Monetair

Wat moreel klopt, kan markttechnisch
wel rammelen

 

Deze ochtend vond ik het nodig om tussen te komen bij de bespreking van het wetsvoorstel dat de invorderingsmogelijkheden in België van aasgierfondsen wil inperken. Hierbij mijn bedenkingen bij dit voorstel:

Laat mij aansluiten bij de bedoeling van voorliggend wetsvoorstel dat de invorderingsmogelijkheden in België van aasgierfondsen wil inperken. Wij dienen inderdaad te voorkomen dat aasgierfondsen die staten tot betaling willen dwingen, op een tijdstip dat het opnieuw beter gaat, de hoop op herstel ontnemen. Door de erg hoge bedragen die op het spel staan, kunnen deze vorderingen het prille herstel in gevaar brengen, terwijl de financiële situatie van de debiteurstaat nog zwak is. Hiermee staat de moraliteit van het voorstel buiten kijf.

Echter dienen wij niet alleen oog te hebben voor de situatie nadat een debiteurstaat failliet is gegaan, maar ook vóór dit tijdstip. Wanneer staten hun rating zien dalen, is het belangrijk dat zij in moeilijke omstandigheden toegang blijven behouden tot de internationale kapitaalmarkt. Zo niet eindigt een crisis altijd in een versneld faillissement waardoor de bevolking van die landen nog sneller geconfronteerd wordt met een permanent hopeloze situatie. De steun van internationale instellingen zoals het IMF en de ECB is daarom per definitie tijdelijk omdat zij met belastinggelden werken van de inwoners van andere staten, waarbij de leiders van deze staten verantwoording moeten afleggen aan hun kiezers.

Belangrijk is m.i. dat het wetsvoorstel ook staten stimuleert om speculatie op voorhand in te perken door contractuele voorwaarden op te nemen die alle schuldeisers binden bij een schuldherschikking. Een schuldherschikking die vaak noodzakelijk is om een periode van herstel te kunnen inzetten. 

Dit wetsvoorstel maakt op geen enkel vlak gewag van de zorgvuldigheid uit hoofde van de uitgever van staatspapier. In het verbintenissenrecht geldt een algemene zorgvuldigheidsplicht in hoofde van de contractanten. Dit geldt eveneens voor staten die leningen of schulden uitgeven. Een voorzichtige staat zal bijvoorbeeld een gebruikelijke collectieve actie clausule (collective action clause of CAC) opnemen bij uitgifte van een lening of schuld. CAC's laten toe dat een bijzondere meerderheid van schuldeisers de betalingstermijnen van een uitgifte kunnen wijzigen of de schuldeisers kunnen binden bij een schuldherschikking. Door deze clausules worden rechtszaken door individuele schuldeisers voorkomen.

Wanneer een staat onzorgvuldig is, dient zij m.i. niet anders te worden behandeld dan een private schuldeiser. Het wetsvoorstel zou staten moeten stimuleren om bijvoorbeeld die collectieve actie clausules op te nemen bij uitgiften van overheidsschuld.

Een tweede punt slaat op de tweede zin van het geamendeerde artikel twee. Wat wordt nu precies van de rechter verwacht: een vordering ten belope van de geïnvesteerde bedragen kan wel worden uitgevoerd of niet? Aangezien de tweede zin spreekt van “…., kan geen enkele uitvoerbare titel worden verkregen in België …..” is dat allerminst duidelijk.

Om de geloofwaardigheid van de Belgische financiële marktwerking niet in gevaar te brengen lijkt het me eveneens verstandig om duidelijkheid te scheppen wat betreft het tijdstip waarop de afkoop moet hebben plaats gevonden. Is het inderdaad de bedoeling dat de afkoop zowel voor als na het faillissement van een staat door het wetsvoorstel wordt geviseerd? 

Het gaat steeds om schuldeisers die de schuldvordering kopen van de eerste schuldeisers, die oorspronkelijk inschreven, of een eerdere schuldeisers, die de schuldvordering overnamen. De primaire markt blijft buiten het toepassingsgebied. Wanneer deze ‘afkopers’ zich op de secundaire markt begeven, zijn zij een essentieel element om de secundaire markt in overheidsleningen of –schulden liquide te houden op een tijdstip dat eerdere inschrijvers of kopers hun schuldvorderingen van de hand willen doen. Zonder deze marktpartijen zal een staat die haar creditrating ziet dalen door eigen wanbeleid of door een externe economische schok veel sneller de toegang tot de internationale kapitaalmarkt ontzegd zien. Immers de liquiditeit op de secundaire markt zorgt voor een prijszetting (onder pari) die indicatief is voor de uitgifte op de primaire markt en dus de rentevoet die een staat op de primaire markt moet betalen. Deze ‘afkopers’ zijn bereid om een bepaald risico te nemen tegen een bepaalde prijs die zal afhangen van de contractuele voorwaarden die in de schuldvordering vervat zijn.

Als het inderdaad de bedoeling is dat het wetsvoorstel ook de afkopen voor het tijdstip van faillissement viseert, heeft dit wetsvoorstel ongetwijfeld een effect op de liquiditeit op de secundaire markt. Daarenboven wordt de appreciatie van de rechter determinerend in het bepalen van het regime waaronder bepaalde claims kunnen ingediend worden.

In de criteria wordt namelijk gesproken van “een bewezen of imminente staat van onvermogen”. Concreet betekent dit dus dat de secundaire markt zal moeten rekening houden met een mogelijke interpretatie van een rechter. Op welk moment is een staat in “imminente staat van onvermogen”? Voor aankopen voor dat moment geldt de wet niet. Daarna wel. Een dergelijke vrijgeleide voor interpretatie zal investeerders weerhouden om nog te kopen op een secundaire markt. Veel duidelijker ware het om het woord “imminent” te laten vallen.

En ten derde: in de toelichting wordt verwezen naar artikel 1699 B.W. . Deze bepaling gaat over de afkoop van betwiste schuldvorderingen. “Hij tegen wie een betwist recht is overgedragen, kan zich daarvan door de overnemer doen bevrijden, mits hij hem de werkelijke prijs van de overdracht en de wettig gemaakte kosten vergoedt, samen met de interest te rekenen van de dag waarop de overnemer de prijs voor de hem gedane overdracht betaald heeft.”

In tegenstelling tot artikel 1699 B.W. wordt in dit wetsvoorstel de vordering beperkt tot de afkoopwaarde. Waarom worden de wettig gemaakte kosten en de intresten vanaf de dag waarop de overnemer de prijs voor de hem gedane overdracht betaald heeft, niet aangemerkt als een rechtmatige vordering?

Ten vierde verhindert dit wetsvoorstel vanaf haar inwerkingtreding dat de Belgische rechtbanken uitspraak doen over een bevel tot betaling ten gronde of een buitenlandse rechterlijke of buitengerechtelijke beslissing uitvoerbaar verklaren. Volgens artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek is deze wet onmiddellijk van toepassing op hangende rechtsgedingen.

Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naargelang het tijdstip dat de schuldeiser tot afkoop is overgegaan. Deze wet is dus van toepassing op leningen of schulden afgekocht zowel voor als na de inwerkingtreding ervan en waarvan de tenuitvoerlegging activa viseert op het Belgisch grondgebied.

Tot op heden hebben alle internationale investeerders in overheidsschulden de verwachting dat buitenlandse rechterlijke of arbitrage-uitspraken erkend worden en uitvoerbaar zijn in België. Deze zekerheid is van belang voor de internationale reputatie van ons land om publieke of private investeringen aan te trekken. Met deze wet worden immers de spelregels gewijzigd die diep verankerd zijn in het internationale recht.

Hoewel deze wet zich beperkt tot leningen of schulden afgesloten of uitgegeven door een staat is het noodzakelijk, voor de betrouwbaarheid van dit land, om rechtszekerheid te bieden aan buitenlandse investeerders zowel in publieke als privaatrechtelijke leningen of schulden. Om deze reden lijkt het mij aangewezen dat duidelijk wordt aangegeven dat deze wet enkel effect heeft op afkopen die na de inwerkingtreding van deze wet plaatsvinden.

En ten vijfde: binnen de criteria staat het volgende: “de schuldeiser heeft misbruik gemaakt van de verzwakte toestand van de debiteurstaat om via onderhandelingen een duidelijk onevenwichtige terugbetalingsovereenkomst te sluiten”. Het in vraag stellen van onderhandelde oplossingen is mijns inziens een stap te ver. Wanneer een schuldeiser manifest weigert mee te werken aan een schuldherschikking en hij tracht daar onwettig voordeel bij te halen, zet deze zich uiteraard buiten de wet. Maar wanneer ook onderhandelde overeenkomsten in vraag gesteld kunnen worden, ondermijnt de wet elke vorm van rechtszekerheid. Ook daar zie ik een oplossing tegemoet.

Ik merk echter dat de indieners zulks niet wensen, en leg me daar bij neer, maar wens niettemin in functie van een goede marktwerking, de geloofwaardigheid van onze financiële positie en de werking van een secundaire markt, deze opmerkingen mee te geven.

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is